|
|
||
|
Genetica heeft alles te maken met de genen. Feitelijk vergelijkbaar met een auto. Epigenetica heeft alles te maken met ‘boven de genen’ staande factoren. In feite zijn dit alle factoren in de ruime omgeving van de genen die in staat zijn genetische processen te beïnvloeden. Dit kun je zien als de olie, de benzine en de verkeersdrempel. Met een auto die technisch perfect is zou je prima 140 kunnen rijden maar als je de olie vergeet, verkeerde brandstof gebruikt of met 140 over verkeersdrempels raast dan kan je auto dit niet hanteren en gaat stuk. Epigenetische factoren hebben dus invloed op genetische processen. Conrad Waddington (1905-1975)introduceerde in 1942 de term epigenetica als 'de tak van de biologie die de actieve wisselwerking bestudeert tussen genen en hun producten, waardoor het fenotype ontstaat'. Aristoteles (384-322 voor Christus) is feitelijk de grondlegger van de gedachte. Hij geloofde in epigenese: de ontwikkeling van een op zichzelf staand levend organisme vanuit het ongevormde. |
![]() EvenTijd - nr 8
|
Tegenwoordig wordt epigenetica meestal omschreven als ‘de studie van erfelijke veranderingen in de werking van het genoom, die plaatsvinden zonder wijziging in de DNA reeks’. In wetenschappelijke kringen wordt nog steeds stevig gediscussieerd over de mate waarin we zijn voorgeprogrammeerd (genetica) dan wel worden gevormd onder invloed van onze omgeving (epigenetica). In feite kan er geen sprake zijn van of/of maar van en/en. Beide dingen zijn waar. De genen vormen de hardware, epigenetische processen bepalen wat ermee gebeurt.
|
|
|
||